Gelet op artikel 170, §4 van de Grondwet;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen;
Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het Ministerieel Besluit van 24 oktober 1995 houdende de goedkeuring van de bouwverordening betreffende de parkeerplaatsen in de gemeente Maasmechelen;
Gelet op artikel 2.3.2 §2 en 4.2.20 §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 20 februari 1990 waarbij een bouwverordening op de parkeerplaatsen werd gestemd, en latere wijzigingen;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2020 betreffende de belasting op ontbrekende parkeerplaatsen, aj. 2021;
Overwegende dat voorgenoemd gemeenteraadsbesluit zonder inhoudelijke wijzigingen hernieuwd wordt voor aj. 2022;
Overwegende dat Maasmechelen zich de laatste jaren meer en meer aan het ontwikkelen is in een complexe stedelijke omgeving waarbij functies niet eenduidig gescheiden kunnen worden. Het zuiver toewijzen van parkeren aan één functie is bij grotere behoeften geen ruimtelijke meerwaarde aangezien dit ten koste van de ruimtelijke kwaliteit komt. Bundelen is de boodschap;
Overwegende dat dit bundelen in een aantal gevallen beter te organiseren is op openbaar of semi-openbaar domein – dat het daarom aangewezen is een belasting op het ontbreken van parkeerplaatsen in het leven te roepen zodat de gemeente voor deze taakstelling over extra middelen kan beschikken;
Overwegende dat aan de raad wordt voorgesteld de belasting van € 10.000 per ontbrekende parkeerplaats / wooneenheid toe te passen;
Overwegende dat de parkeerdruk vanuit het wonen een continue druk is (permanente bewoning) en de parkeerdruk vanuit handel enkel gericht is op openingsuren – dat om die reden de belasting van € 8.000 per ontbrekende parkeerplaats / handelsoppervlakte-eenheid wordt toegepast;
Overwegende dat uit dit geheel van toe te passen tarieven een afstemming gebeurt tussen het gewenste ruimtelijk beleid en dit reglement;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
Voor het aanslagjaar 2022 wordt een belasting gevestigd op het ontbreken van parkeerplaatsen bij het optrekken van nieuwe gebouwen en bij het uitvoeren van verbouwingswerken wanneer de aanleg van parkeerplaatsen verplicht wordt opgelegd door de gemeentelijke bouwverordening van 20 februari 1990 of wanneer hiervoor een afwijking is verleend door het college van burgemeester en schepenen.
De aanslag wordt gevestigd in hoofde van de houder van de bouwvergunning die, vanwege het college van burgemeester en schepenen op grond van deze vergunning, een afwijking heeft bekomen op de bepalingen van de gemeentelijke bouwverordening, houdende de verplichting de nodige parkeerplaatsen aan te leggen.
Als houder van een bouwvergunning wordt beschouwd degene die de vergunning bekwam of degene die in zijn rechten en verplichtingen treedt om de werken, op basis van deze vergunning, uit te voeren.
De belasting wordt vastgesteld op:
Voor het begrip “parkeerplaats” wordt verwezen naar de gemeentelijke bouwverordening.
Het vermoedelijk bedrag van de belasting wordt vastgesteld op basis van het aantal ontbrekende parkeerplaatsen, berekend aan de hand van de bouwvergunning. Bij het afleveren van de bouwvergunning dient de belastingplichtige dit vermoedelijk bedrag van de belasting in bewaring te geven bij de financieel directeur of zijn gemachtigde, waarvoor een ontvangstbewijs zal afgeleverd worden.
Na beëindiging van de werken wordt bij een plaatsbezoek door de aangestelde beëdigde ambtenaar het definitief aantal ontbrekende parkeerplaatsen en de definitief verschuldigde belasting in een proces-verbaal vastgesteld. Het door hen opgestelde proces-verbaal heeft bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. De belasting is dus verschuldigd bij de opmaak van dit definitieve proces-verbaal. De belastingplichtige wordt acht kalenderdagen vooraf per aangetekend schrijven uitgenodigd om bij voormelde vaststelling aanwezig te zijn.
Het in bewaring gegeven bedrag zal van ambtswege als een verworven contante betaling worden geboekt als blijkt dat het met de werkelijke belastingschuld overeenstemt. Bij gebrek aan contante betaling of ingeval deze niet gelijk is aan de reële belastingschuld, berekend op basis van de gegevens uit het hierboven genoemde proces-verbaal, zal van ambtswege overgegaan worden tot inkohiering, respectievelijk terugbetaling van het verschil.
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier, dat vastgesteld en uitvoerbaar wordt verklaard door het college van burgemeester en schepenen ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen dat handelt als administratieve overheid. Er wordt niet voorzien in het indienen van bezwaarschriften via een duurzame drager.
Behoudens latere wijzigingen bepaalt het Decreet dat het bezwaar schriftelijk en gemotiveerd moet worden ingediend, en op straffe van verval binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de contante inning. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger en vermeldt de naam, de hoedanigheid, het adres of de zetel van de belastingplichtige, alsook het voorwerp van het bezwaarschrift en een opgave van de feiten of middelen.
Het college van burgemeester en schepenen stuurt binnen 15 kalenderdagen na verzending of indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding. Deze ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden verstuurd.
Indien de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.
De belastingplichtigen kunnen de verbetering aanvragen van materiële vergissingen zoals dubbele aanslag, rekenfouten, enz., zolang de gemeenterekening van het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft, nog niet werd goedgekeurd.
De vestiging en de invordering van de belasting, alsook de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Het reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur.