Gelet op artikelen 41, 162 en 170 van de Grondwet;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, en latere wijzigingen;
Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op de omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2020 betreffende de belasting op de kampeerterreinen en de kampeerverblijfparken, aj. 2021;
Overwegende dat voorgenoemd gemeenteraadsbesluit van 15 december 2020 zonder inhoudelijke wijzigingen hernieuwd wordt voor aj. 2022 - 2025;
Overwegende dat de kampeerterreinen en kampeerverblijfparken de gemeente belasten met een steeds zwaardere taak van toezicht;
Overwegende dat de vordering door de exploitant van het kampeerterrein kan doorgerekend worden aan de personen die een kampeerplaats afhuren;
Gelet op de financiƫle toestand van de gemeente en de noodzaak om het budget in evenwicht te houden;
Er wordt voor de aanslagjaren 2022 - 2025 een directe jaarlijkse belasting gevestigd op de kampeerterreinen en kampeerverblijfparken.
Voor de toepassing van dit reglement wordt onder kamperen verstaan, het als woongelegenheid of verblijfsgelegenheid gebruiken door andere personen dan kermisexploitanten of nomaden die als zodanig handelen, van een van de volgende verblijven: tent, caravan, woonaanhangwagen of ander soortgelijk verblijf.
Voor de toepassing van dit reglement wordt onder kampeerterrein verstaan: het terrein waarop gewoonlijk of bij gelegenheid wordt gekampeerd door meer dan tien personen tegelijk of waarop meer dan drie verblijven staan als bedoeld in alinea 1. Indien de houder van een kampeervergunning binnen de grenzen van een kampeerterrein chalets, bungalows, huisjes, paviljoenen of andere soortgelijke verblijven die niet onderworpen zijn om als vaste woning te dienen optrekt, blijft dit een kampeerterrein.
Onder kampeerverblijfpark wordt verstaan elk geheel van meer dan twee percelen begrepen in een verkaveling bestemd voor het uitoefenen van het kamperen door middel van verblijven als bedoeld in alinea 1.
De belasting wordt voor het aanslagjaar 2022 vastgesteld als volgt:
De bedragen van de belasting voor het aanslagjaar 2022 worden jaarlijks op 1 januari van elk jaar aangepast, aan de consumptieprijsindex van de maand november (basisjaar 2004) die aan de aanpassing voorafgaat volgens de formule:
Geïndexeerd tarief = basistarief x nieuwe index
basisindex
Basistarief = tarief belasting zoals vastgesteld in onderhavig reglement.
Nieuwe index = de index van de maand november van het voorgaande jaar.
Basisindex = de index van de maand november 2021.
De bedragen na indexering zullen worden afgerond naar de hogere tien cent.
De belasting is verschuldigd:
De eigenaar op 1 januari van het aanslagjaar is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
Voor de toepassing van de bepalingen van dit reglement wordt de toestand op 1 januari van het aanslagjaar in aanmerking genomen.
Het aantal kampeerpercelen wordt bepaald volgens de aangegeven nuttige oppervlakte tot staving van de aanvraag om het terrein als kampeerterrein te mogen aanwenden, ingediend krachtens artikel 4 van het K.B. van 29 oktober 1971, tot regeling van het kamperen, waarbij elk kampeerperceel tegen 100m² nuttige oppervlakte wordt aangewend.
Desgevallend, indien noodzakelijk, zal de in aanmerking te nemen nuttige oppervlakte vastgesteld worden door opmeting van het terrein (de gebouwen, installaties en voorzieningen voor gemeenschappelijk gebruik, de wegen en parkeerterreinen niet inbegrepen).
De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat behoorlijk ingevuld en ondertekend, vóór de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd.
De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 1 november van het lopende aanslagjaar, aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.
Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, kan de belasting ambtshalve worden belast conform artikel 7 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
In geval van ambtshalve aanslag wordt de belasting gevestigd op basis van de gegevens waarover de belastingheffende overheid beschikt.
Als een belasting ambtshalve is gevestigd, moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de juistheid van de door hem ingeroepen elementen.
Op de ambtshalve ingekohierde belasting zal een belastingverhoging van 25%, 50% of 100% worden toegepast al naargelang het een eerste, tweede of derde (en volgende) overtreding betreft. Het bedrag van deze verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Voor de vaststelling van het toe te passen percentage van de belastingverhoging worden de vorige overtredingen niet in aanmerking genomen, wanneer geen overtredingen werden vastgesteld voor de laatste twee opeenvolgende aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarin de nieuwe overtreding wordt vastgesteld. Een correcte aangifte gedurende twee opeenvolgende jaren herstelt aldus de goede trouw in hoofde van de belastingplichtige.
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier, dat vastgesteld en uitvoerbaar wordt verklaard door het college van burgemeester en schepenen ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Bij niet-betaling geschiedt de invordering der belastingen overeenkomstig de bepalingen van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie-en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Op grond van het Decreet van 30 mei 2008 en volgens de daar beschreven voorwaarden kan tegen deze belasting een bezwaar ingediend worden bij het college van burgemeester en schepenen dat handelt als administratieve overheid. Er wordt niet voorzien in het indienen van bezwaarschriften via een duurzame drager.
Behoudens latere wijzigingen bepaalt het Decreet dat het bezwaar schriftelijk en gemotiveerd moet worden ingediend, en op straffe van verval binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de contante inning. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger en vermeldt de naam, de hoedanigheid, het adres of de zetel van de belastingplichtige, alsook het voorwerp van het bezwaarschrift en een opgave van de feiten of middelen.
Het college van burgemeester en schepenen stuurt binnen 15 kalenderdagen na verzending of indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding. Deze ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden verstuurd.
Indien de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.
De belastingplichtigen kunnen de verbetering aanvragen van materiële vergissingen zoals dubbele aanslag, rekenfouten, enz., zolang de gemeenterekening van het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft, nog niet werd goedgekeurd.
De vestiging en de invordering van de belasting, alsook de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Het reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur.