Gelet op artikel 170, $4 van de Grondwet;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017;
Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 17 december 2013 betreffende de belasting op de zand- en/of kiezelgroeven aj. 2014-2019;
Overwegende dat voorgenoemd gemeenteraadsbesluit zonder inhoudelijke wijzigingen hernieuwd wordt voor aj. 2020-2025;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 wordt ten laste van de uitbaters van de in de gemeente gelegen openluchtgroeven en/of exploitaties een directe belasting gevestigd op het inwinnen van zand- en/of kiezel.
Deze belasting bedraagt 0,8230 EUR per opgehaalde ton zand en/of kiezel voor het aanslagjaar 2020. Voor de navolgende aanslagjaren zal de jaarlijkse belasting op de zand- en/of kiezelgroeven respectievelijk bedragen:
Aanslagjaar 2021: 0,8428 EUR per ton opgehaalde ton zand en/of kiezel
Aanslagjaar 2022: 0,8627 EUR per ton opgehaalde ton zand en/of kiezel
Aanslagjaar 2023: 0,8825 EUR per ton opgehaalde ton zand en/of kiezel
Aanslagjaar 2024: 0,9023 EUR per ton opgehaalde ton zand en/of kiezel
Aanslagjaar 2025: 0,9222 EUR per ton opgehaalde ton zand en/of kiezel
De belastingplichtigen zijn verplicht om bij het einde van ieder kwartaal en uiterlijk voor 30 april, 31 juli en 31 oktober van het aanslagjaar en 31 januari van het jaar volgend op het aanslagjaar een driemaandelijkse aangifte in te dienen bij het gemeentebestuur van het aantal opgehaalde ton zand en/of kiezel van het aanslagjaar.
Deze driemaandelijkse aangiften dienen te gebeuren op aangifteformulieren die door het gemeentebestuur ter beschikking worden gesteld.
Het gemeentebestuur mag door alle rechtsmiddelen de echtheid van de ingediende aangifte nagaan.
De belastingplichtige verbindt er zich toe op verzoek van het bestuur, alle bijkomende informatie te verstrekken met het oog op het vaststellen van de verschuldigde belasting.
De belasting wordt jaarlijks gevestigd op uiterlijk:
30 juni voor de opgehaalde ton zand en/of kiezel van de eerste trimester van het betrokken aanslagjaar;
30 september voor de opgehaalde ton zand en/of kiezel van het tweede trimester van het betrokken aanslagjaar;
31 december voor de opgehaalde ton zand en/of kiezel van het derde trimester van het betrokken aanslagjaar ;
31 maart voor de opgehaalde ton zand en/of kiezel van het vierde trimester van het aanslagjaar dat aan de vestiging voorafgaat.
Bij gebrek aan aangifte binnen de gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, wordt de belasting ambtshalve gevestigd.
In geval van ambtshalve aanslag wordt de belasting gevestigd op basis van de gegevens waarover de belastingheffende overheid beschikt.
Voor de belasting ambtshalve wordt gevestigd, brengt het college van burgemeester en schepenen, of het personeelslid dat door het college van burgemeester en schepenen daartoe is aangesteld, de belastingplichtige, met een aangetekende brief op de hoogte van de redenen waarom ze gebruik maakt van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van die elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Als een belasting ambtshalve is gevestigd, moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de juistheid van de door hem ingeroepen elementen.
Op de ambtshalve opname in het kohier van de belasting zal een belastingverhoging van 25%, 50% of 100% worden toegepast al naargelang het een eerste, tweede of derde (en volgende) overtreding betreft. Het bedrag van deze verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Door het college van burgemeester en schepenen worden personeelsleden aangesteld die bevoegd zijn om een controle of onderzoek in te stellen en vaststellingen te verrichten in verband met de toepassing van de belastingverordening.
De door hen opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier, dat vastgesteld en uitvoerbaar wordt verklaard door het college van burgemeester en schepenen ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag (en de eventuele belastingverhoging) een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen dat handelt als administratieve overheid. Er wordt niet voorzien in het indienen van bezwaarschriften via een duurzame drager.
Het bezwaar moet schriftelijk en gemotiveerd worden ingediend, en op straffe van verval binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger en vermeldt de naam, de hoedanigheid, het adres of de zetel van de belastingplichtige, alsook het voorwerp van het bezwaarschrift en een opgave van de feiten of middelen.
Het college van burgemeester en schepenen stuurt binnen 15 kalenderdagen na verzending of indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding. Deze ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden verstuurd.
Indien de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.
De belastingplichtigen kunnen de verbetering aanvragen van materiële vergissingen zoals dubbele aanslag, rekenfouten, enz., zolang de gemeenterekening van het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft, nog niet werd goedgekeurd.
Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het Decreet van 30 mei 2008, zijn de bepalingen van titel VII, hoofdstukken 1, 3, 4, 6 tot en met 9bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat Wetboek van toepassing voor zover ze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen.
Het reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur.