Gelet op artikel 170, $4 van de Grondwet;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017;
Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 20 december 2016 betreffende de belasting op masten, pylonen en andere draagconstructies, aj. 2016-2019;
Overwegende dat voorgenoemd gemeenteraadsbesluit zonder grote inhoudelijke wijzigingen hernieuwd wordt voor aj. 2020;
Gelet op de gecoördineerde omzendbrief dd. 10 juni 2011 inzake onderrichtingen over gemeentefiscaliteit vanwege het Agentschap voor Binnenlands Bestuur;
Gelet op de omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019;
Gelet op het feit dat de aanwezigheid van masten, pylonen en andere draagconstructies op het grondgebied van de gemeente een ernstige vorm van visuele vervuiling betekent wegens het doorbreken van de vrije open ruimte en zij derhalve hinder meebrengen voor de plaatselijke gemeenschap, waardoor een compensatie voor de plaatselijke gemeenschap rechtmatig is;
Overwegende dat de aanwezigheid van masten, pylonen en andere draagconstructies op het grondgebied van de gemeente een substantiële invloed heeft op de aantrekkingskracht van de gemeente Maasmechelen als woonomgeving en toeristische bestemming;
Overwegende dat een belasting op masten, pylonen en andere draagconstructies bovendien een stimulans kan zijn om deze te beperken, wat noodzakelijk is voor de vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening en de landschappelijke kwaliteit van de gemeente Maasmechelen;
Overwegende dat de bedragen redelijk zijn, en gelet op de financiële behoeften van de gemeente Maasmechelen, aldus verantwoord zijn;
Overwegende dat in overeenstemming met de omzendbrief van 10 juni 2011 houdende de onderrichtingen over gemeentefiscaliteit een vrijstelling wordt voorzien voor windmolens omdat een belasting op windmolens in strijd is met het Vlaamse Elektriciteitsdecreet en de diverse Europese Richtlijnen die bepalen dat het gebruik van hernieuwbare energiebronnen moet worden bevorderd en dat hierover het landschap verstorend element ruimschoots gecompenseerd wordt door het milieuvriendelijk aspect hiervan;
Overwegende dat de gemeente door geen belasting op de productie van groene stroom en andere verticale constructies te heffen een bijdrage wil leveren aan het stimuleren van de productie van groene stroom, hetgeen kadert in de zgn. ‘groene fiscaliteit’;
Gelet op het Decreet houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid van 8 mei 2009 en de Europese Richtlijn 2009/28/EG van het Europese Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;
Overwegende dat in overeenstemming met de omzendbrief KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van 15 februari 2019 een vrijstelling wordt voorzien voor constructies voor het produceren van groene stroom gezien de differentiaties ter aanmoediging van de productie van groene stroom een objectief en redelijk criterium uitmaken die het landschap verstorende karakter van de masten en pylonen compenseren. (RvS 14 januari 2014, nr. 226.034; RvS 16 juni 2015, nr. 231.539)
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Er wordt voor het aanslagjaar 2020 een gemeentebelasting gevestigd op allerhande masten en pylonen en andere draagconstructies geplaatst in open lucht en zichtbaar vanaf de openbare weg die zich op 1 januari van het aanslagjaar op het grondgebied van de gemeente bevinden.
Voor de toepassing van dit reglement moet worden verstaan onder:
‘mast’: een vaststaande verticale structuur, ongeacht de hoogte, die al dan niet geplaatst wordt op een dak of een andere bestaande constructie en met een hoogte van minstens 20 meter, te meten vanaf het maaiveld.
‘pyloon’: een individuele en vaststaande verticale constructie of steuntoren die wordt opgericht op het niveau van het maaiveld en met een hoogte van minstens 20 meter.
‘draagconstructie’: iedere individuele op zichzelf staande verticale structuur, met uitsluiting van gebouwen, die opgericht is op het niveau van het maaiveld en die hoofdzakelijk dient als draagstructuur voor lichtinstallaties, geluidsinstallaties, het transport van energie- en radio-installaties.
Constructies voor de productie van windenergie of andere vormen van groene stroom, alsook de masten en pylonen en andere draagconstructies die worden gebruikt voor de diensten van openbare besturen en andere openbare inrichtingen en instellingen zijn vrijgesteld van deze belasting.
De belasting is verschuldigd door de eigenaar van de pyloon en/of mast en/of andere draagconstructie op 1 januari van het aanslagjaar.
De belasting wordt vastgesteld als volgt:
3000,00 euro per jaar per pyloon en/of mast en/of andere draagconstructie.
De belasting is ondeelbaar en voor het hele jaar verschuldigd. Er wordt geen vermindering of terugbetaling van de belasting toegestaan als de mast of de pyloon of andere draagconstructie in de loop van het aanslagjaar wordt weggenomen.
De belastingplichtige ontvangt van het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, vóór de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd.
De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 15 januari van het jaar dat volgt op het aanslagjaar, aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.
Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, kan de belasting ambtshalve worden belast conform artikel 7 van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
In geval van ambtshalve aanslag wordt de belasting gevestigd op basis van de gegevens waarover de belastingheffende overheid beschikt.
Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, brengt het college van burgemeester en schepenen, de belastingplichtige, met een aangetekende brief op de hoogte van de redenen waarom ze gebruik maakt van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van die elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Als een belasting ambtshalve is gevestigd, moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de juistheid van de door hem ingeroepen elementen.
Op de ambtshalve ingekohierde belasting zal een belastingverhoging worden toegepast van 20% van de verschuldigde belasting bij een eerste overtreding.
Bij de volgende overtredingen zal een verhoging van 50% of 100% worden toegepast bij respectievelijk een tweede of derde overtreding. Vanaf de vierde overtreding zal de belastingverhoging 200% bedragen.
Voor de vaststelling van het toe te passen percentage van de belastingverhoging worden de vorige overtredingen niet in aanmerking genomen, wanneer geen overtredingen werden vastgesteld voor de laatste twee opeenvolgende aanslagjaren die het aanslagjaar voorafgaan waarin de nieuwe overtreding wordt vastgesteld. Een correcte aangifte gedurende twee opeenvolgende jaren herstelt aldus de goede trouw in hoofde van de belastingplichtige.
Het bedrag van deze verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Door het college van burgemeester en schepenen worden personeelsleden aangesteld die bevoegd zijn om een controle of onderzoek in te stellen en vaststellingen te verrichten in verband met de toepassing van de belastingverordening.
De door hen opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
De belastingplichtige is gehouden elke wijziging in het aantal masten en/of pylonen en andere draagconstructies waarvan hij eigenaar is geworden tijdens het aanslagjaar van onderhavig reglement, op eigen initiatief aan het gemeentebestuur bekend te maken binnen de maand na de wijziging.
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier, dat vastgesteld en uitvoerbaar wordt verklaard door het college van burgemeester en schepenen ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Bij niet-betaling geschiedt de invordering der belastingen overeenkomstig de bepalingen van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie-en gemeentebelastingen, gewijzigd bij Decreten van 28 mei 2010 en 17 februari 2012.
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag (en de eventuele belastingverhoging) een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen dat handelt als administratieve overheid. Er wordt niet voorzien in het indienen van bezwaarschriften via een duurzame drager.
Het bezwaar moet schriftelijk en gemotiveerd worden ingediend, en op straffe van verval binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger en vermeldt de naam, de hoedanigheid, het adres of de zetel van de belastingplichtige, alsook het voorwerp van het bezwaarschrift en een opgave van de feiten of middelen.
Het college van burgemeester en schepenen stuurt binnen 15 kalenderdagen na verzending of indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding. Deze ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden verstuurd.
Indien de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.
De belastingplichtigen kunnen de verbetering aanvragen van materiële vergissingen zoals dubbele aanslag, rekenfouten, enz., zolang de gemeenterekening van het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft, nog niet werd goedgekeurd.
Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het Decreet van 30 mei 2008, zijn de bepalingen van titel VII, hoofdstukken 1, 3, 4, 6 tot en met 9bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat Wetboek van toepassing voor zover ze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen.
Het reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur.