Gelet op artikel 170, $4 van de Grondwet;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017;
Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 17 december 2013 betreffende de belasting op de kampeerterreinen en de kampeerverblijfparken, aj. 2014-2019;
Overwegende dat voorgenoemd gemeenteraadsbesluit zonder grote inhoudelijke wijzigingen hernieuwd wordt voor aj. 2020;
Overwegende dat de kampeerterreinen en kampeerverblijfparken de gemeente belasten met een steeds zwaardere taak van toezicht;
Overwegende dat de vordering door de exploitant van het kampeerterrein kan doorgerekend worden aan de personen die een kampeerplaats afhuren;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Er wordt voor het aanslagjaar 2020 een directe jaarlijkse belasting gevestigd op de kampeerterreinen en kampeerverblijfparken.
Voor de toepassing van dit reglement wordt onder kamperen verstaan, het als woongelegenheid of verblijfsgelegenheid gebruiken door andere personen dan kermisexploitanten of nomaden die als zodanig handelen, van een van de volgende verblijven: tent, caravan, woonaanhangwagen of ander soortgelijk verblijf.
Voor de toepassing van dit reglement wordt onder kampeerterrein verstaan, het terrein waarop gewoonlijk of bij gelegenheid wordt gekampeerd door meer dan tien personen tegelijk of waarop meer dan drie verblijven staan als bedoeld in alinea 1. Indien de houder van een kampeervergunning binnen de grenzen van een kampeerterrein chalets, bungalows, huisjes, paviljoenen of andere soortgelijke verblijven die niet onderworpen zijn om als vaste woning te dienen optrekt, blijft dit een kampeerterrein.
Onder kampeerverblijfpark wordt verstaan elk geheel van meer dan twee percelen begrepen in een verkaveling bestemd voor het uitoefenen van het kamperen door middel van verblijven als bedoeld in alinea 1.
De belasting wordt voor het aanslagjaar 2020 vastgesteld als volgt:
voor de kampeerterreinen op 55,10 euro per plaats;
voor de kampeerverblijfparken op 55,10 euro per perceel.
De belasting is verschuldigd:
voor de kampeerterreinen: door de exploitant;
voor de kampeerverblijfparken: door de werkelijke gebruiker indien het perceel aan een vaste gebruiker is afgestaan; zo niet is de belasting verschuldigd door de exploitant.
De eigenaar op 1 januari van het aanslagjaar is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
Voor de toepassing van de bepalingen van dit reglement wordt de toestand op 1 januari van het aanslagjaar in aanmerking genomen.
Het aantal kampeerpercelen wordt bepaald volgens de aangegeven nuttige oppervlakte tot staving van de aanvraag om het terrein als kampeerterrein te mogen aanwenden, ingediend krachtens artikel 4 van het K.B. van 29 oktober 1971, tot regeling van het kamperen, waarbij elk kampeerperceel tegen 100m² nuttige oppervlakte wordt aangewend.
Desgevallend, indien noodzakelijk, zal de in aanmerking te nemen nuttige oppervlakte vastgesteld worden door opmeting van het terrein (de gebouwen, installaties en voorzieningen voor gemeenschappelijk gebruik, de wegen en parkeerterreinen niet inbegrepen).
De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat behoorlijk ingevuld en ondertekend, vóór de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd.
De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 1 november van het lopende aanslagjaar, aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.
Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, wordt de belasting ambtshalve gevestigd
In geval van ambtshalve aanslag wordt de belasting gevestigd op basis van de gegevens waarover de belastingheffende overheid beschikt.
Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, brengt het college van burgemeester en schepenen, of het personeelslid dat door het college van burgemeester en schepenen daartoe is aangesteld, de belastingplichtige, met een aangetekende brief op de hoogte van de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van die elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Als een belasting ambtshalve is gevestigd, moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de juistheid van de door hem ingeroepen elementen.
Op de ambtshalve opname in het kohier van de belasting zal een belastingverhoging van 25%, 50% of 100% worden toegepast al naargelang het een eerste, tweede of derde (en volgende) overtreding betreft. Het bedrag van deze verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Door het college van burgemeester en schepenen worden personeelsleden aangesteld die bevoegd zijn om een controle of onderzoek in te stellen en vaststellingen te verrichten in verband met de toepassing van de belastingverordening.
De door hen opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier, dat vastgesteld en uitvoerbaar wordt verklaard door het college van burgemeester en schepenen ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag (en de eventuele belastingverhoging) een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen.
Er wordt niet voorzien in het indienen van bezwaarschriften via een duurzame drager.
Het bezwaarschrift moet schriftelijk en gemotiveerd worden ingediend, en op straffe van verval binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger en vermeldt de naam, de hoedanigheid, het adres of de zetel van de belastingplichtige, alsook het voorwerp van het bezwaarschrift en een opgave van de feiten of middelen.
Het college van burgemeester en schepenen stuurt binnen 15 kalenderdagen na verzending of indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding. Deze ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden verstuurd.
Indien de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.
De belastingplichtigen kunnen de verbetering aanvragen van materiële vergissingen zoals dubbele aanslag, rekenfouten, enz., zolang de gemeenterekening van het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft, nog niet werd goedgekeurd.
Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het Decreet van 30 mei 2008, zijn de bepalingen van titel VII, hoofdstukken 1, 3, 4, 6 tot en met 9bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat Wetboek van toepassing voor zover ze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen.
Het reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur.