Gelet op artikel 170, $4 van de Grondwet;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017;
Gelet op het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2015 betreffende de belasting op de verdeelapparaten van brandstoffen aj. 2016-2019;
Overwegende dat voorgenoemd gemeenteraadsbesluit zonder grote inhoudelijke wijzigingen hernieuwd wordt voor aj. 2020;
Overwegende dat de uitbating van tankstations bijkomende uitgaven veroorzaken inzake mobiliteit, infrastructuur, wegennet en netheid;
Dat meer specifiek de aantrekkingskracht van de tankstations zeer aanzienlijk is wat vaak een enorme verkeersdrukte met zich meebrengt;
Dat dit echter ook leidt tot verkeersonveilige situaties, verkeersongevallen en incidenten, tot bijkomende kosten van handhaving, tot overlast voor de omgeving en buurtbewoners, tot negatieve gevolgen voor het leefmilieu,…;
Dat de bovengenoemde kosten en overlast alsook alle negatieve gevolgen in zeer sterke mate toenemen indien een tankstation wordt bezocht door vrachtwagens;
Overwegende dat de uitbating van tankstations een economische activiteit is welke voor de exploitanten redelijkerwijze inkomsten genereren wat derhalve des te meer verantwoordt dat ook zij bijdragen aan de bijkomende kosten welke de uitbating van tankstations veroorzaken;
Dat het derhalve redelijk en billijk is om hen een belasting te laten betalen;
Overwegende anderzijds dat de gemeente een duurzame ontwikkeling nastreeft en derhalve het gebruik van schone brandstoffen die fossiele brandstoffen vervangen als energievoorziening voor het vervoer en kunnen bijdragen aan een koolstofvrije energievoorziening wenst te ondersteunen;
Overwegende voorts dat het gepast voorkomt om verdeelapparaten van brandstoffen, verplaatsbaar en uitsluitend bestemd voor motorfietsen aan een lager tarief te belasten nu deze apparaten gekenmerkt worden door een beperktere afname;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Voor de aanslagjaar 2020 wordt een belasting gevestigd op verdeelapparaten van brandstoffen, bestemd voor gemotoriseerde voertuigen (m.n. auto’s, motorfietsen en vrachtwagens) indien deze toegankelijk zijn voor het publiek.
De belasting bedraagt €100,00 per brandstofslang, zijnde een leiding waarmee de brandstoffen uit het verdeelapparaat van brandstoffen naar het voertuig geleid wordt.
De belasting bedraagt €2.500,00 per brandstofslang, zijnde een leiding waarmee de brandstoffen uit het verdeelapparaat van brandstoffen naar een vrachtwagen geleid wordt wanneer het verdeelapparaat van brandstoffen exclusief bestemd is voor vrachtwagens.
De belasting bedraagt €25,00 per brandstofslang, zijnde een leiding waarmee de brandstoffen uit een verplaatsbaar verdeelapparaat van brandstoffen naar een motorfiets geleid wordt.
Indien aan het verdeelapparaat van brandstoffen twee of meerdere brandstofslangen zijn ingebouwd, is de belasting respectievelijk twee of meerdere malen verschuldigd.
De belasting is verschuldigd door de eigenaar van de verdeelapparaten van brandstoffen op 01 januari van het aanslagjaar. De uitbater van verdeelapparaten van brandstoffen is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
De belasting is ondeelbaar en voor gans het aanslagjaar verschuldigd.
Zijn van de huidige belasting vrijgesteld:
De verdeelapparaten van brandstoffen die zich bevinden op een privéterrein (garage of een gelijksoortige plaats) en die van buitenaf noch zichtbaar zijn noch aangekondigd zijn en ook niet dienen voor de bevoorrading van langskomende voertuigen;
De verdeelapparaten van schone brandstoffen. In de zin van het huidige reglement verstaat men onder “schone brandstoffen” de brandstoffen die fossiele oliebronnen vervangen als energievoorziening voor het vervoer en kunnen bijdragen tot koolstofvrije energievoorziening, met name elektriciteit, waterstof, biobrandstoffen en LPG.
De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat behoorlijk ingevuld en ondertekend, vóór de erin vermelde vervaldatum moet worden teruggestuurd.
De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 1 oktober van het lopende aanslagjaar, aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.
Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 6 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, wordt de belasting ambtshalve gevestigd.
In geval van ambtshalve aanslag wordt de belasting gevestigd op basis van de gegevens waarover de belastingheffende overheid beschikt.
Voor de belasting ambtshalve wordt gevestigd, brengt het college van burgemeester en schepenen, of het personeelslid dat door het college van burgemeester en schepenen daartoe is aangesteld, de belastingplichtige, met een aangetekende brief op de hoogte van de redenen waarom ze gebruik maakt van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van die elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
Als een belasting ambtshalve is gevestigd, moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de juistheid van de door hem ingeroepen elementen.
Op de ambtshalve opname in het kohier van de belasting zal een belastingverhoging van 25%, 50% of 100% worden toegepast al naargelang het een eerste, tweede of derde (en volgende) overtreding betreft. Het bedrag van deze verhoging wordt gelijktijdig en samen met de ambtshalve belasting ingekohierd.
Door het college van burgemeester en schepenen worden personeelsleden aangesteld die bevoegd zijn om een controle of onderzoek in te stellen en vaststellingen te verrichten in verband met de toepassing van de belastingverordening.
De door hen opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
De belastingplichtige is gehouden elke wijziging in het aantal verdeelapparaten van brandstoffen waarvan hij eigenaar is tijdens het aanslagjaar van onderhavig reglement, op eigen initiatief aan het gemeentebestuur bekend te maken binnen de maand na de wijziging.
De belastingplichtige die zijn zaak verkoopt of overdraagt is verplicht dit binnen de veertien dagen mee te delen aan de financieel directeur. In dit geval mag de voor het lopende jaar betaalde belasting overgedragen worden op naam van degene die de uitbating verder zet.
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier, dat vastgesteld en uitvoerbaar wordt verklaard door het college van burgemeester en schepenen ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet.
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen een aanslag (en de eventuele belastingverhoging) een bezwaarschrift indienen bij het college van burgemeester en schepenen dat handelt als administratieve overheid. Er wordt niet voorzien in het indienen van bezwaarschriften via een duurzame drager.
Het bezwaar moet schriftelijk en gemotiveerd worden ingediend, en op straffe van verval binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger en vermeldt de naam, de hoedanigheid, het adres of de zetel van de belastingplichtige, alsook het voorwerp van het bezwaarschrift en een opgave van de feiten of middelen.
Het college van burgemeester en schepenen stuurt binnen 15 kalenderdagen na verzending of indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding. Deze ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden verstuurd.
Indien de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger dat in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger uitgenodigd worden op een hoorzitting.
De belastingplichtigen kunnen de verbetering aanvragen van materiële vergissingen zoals dubbele aanslag, rekenfouten, enz., zolang de gemeenterekening van het aanslagjaar waarop de belasting betrekking heeft, nog niet werd goedgekeurd.
Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van het Decreet van 30 mei 2008, zijn de bepalingen van titel VII, hoofdstukken 1, 3, 4, 6 tot en met 9bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen en de artikelen 126 tot en met 175 van het uitvoeringsbesluit van dat Wetboek van toepassing voor zover ze niet specifiek de belastingen op de inkomsten betreffen.
Het reglement wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 286 en 287 van het Decreet Lokaal Bestuur.